Vleermuizen zijn nachtelijke insecteneters die per nacht honderden muggen, motten en kevers vangen. In Nederland leven achttien soorten en alle achttien zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Door verbouwingen, isolatie van daken en het kappen van oude bomen verdwijnen veel natuurlijke verblijfplaatsen. Een vleermuiskast in de tuin of aan de gevel biedt een vervanging voor zomer- of paarverblijven en helpt jou tegelijk aan een natuurlijke muggenwering.
Een goede kast plaatsen is meer dan een kist aan een boom hangen. Het type kast, de hoogte, de hemelrichting en de directe omgeving bepalen of er ooit een vleermuis intrekt. Hieronder loop je de belangrijkste keuzes door, met concrete maten en soortnamen.
Welke vleermuissoorten kun je in een tuinkast verwachten
In een gemiddelde Nederlandse tuin maak je de meeste kans op enkele algemene soorten die zich aanpassen aan bebouwd gebied. Hieronder de vier soorten die het vaakst in tuinkasten worden gevonden, met hun voorkeuren.
- Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) — kleinste soort, 3 tot 8 gram, vliegt rond hoogspanningsdraden, lantaarnpalen en boomranden. Past door spleten van slechts 1,5 cm.
- Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) — trekvleermuis die in het najaar paarverblijven zoekt, vooral in tuinen met oude bomen en water in de buurt.
- Laatvlieger (Eptesicus serotinus) — grotere soort, 14 tot 35 gram, vliegt hoog en open boven gazons en weiden.
- Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) — boomvleermuis die holtes in oude bomen prefereert, snel en hoog vliegend.
Welke soort jij hebt, hoor je vaak het beste met een batdetector tussen mei en september, een uur na zonsondergang. De gewone dwerg roept rond 45 kHz, de laatvlieger rond 25 kHz.
Type kast per soort: spleet, holte of grote kraamkast
Het type kast moet aansluiten bij de lichaamsbouw en het sociale gedrag van de soort. Vleermuizen zoeken niet n type plek, dus een combinatie van twee verschillende kasten levert vaak meer op dan tien identieke kasten naast elkaar.
Spleetkast (platte kast)
Een spleetkast is 30 tot 50 cm hoog, 20 tot 40 cm breed en heeft een binnenruimte van slechts 1,5 tot 2 cm dik. Geschikt voor de gewone en ruige dwergvleermuis. De achterwand is ruw houten plaatmateriaal of voorzien van horizontale groeven, zodat de dieren zich kunnen vastklampen. De invliegopening zit aan de onderkant.
Holtekast (grote kast)
Een holtekast heeft binnenruimtes van 3 tot 4 cm dik en is geschikt voor laatvlieger en rosse vleermuis. Vaak is dit een blokvormige kast van 40 tot 60 cm hoog met meerdere compartimenten. Voor de rosse vleermuis hang je hem hoog in een boom; voor de laatvlieger vaak aan de gevel.
Kraamkast
Een kraamkast is een grote kast (60 tot 90 cm hoog) waar vrouwtjes in juni en juli hun jongen werpen. In zon n kast kunnen tientallen dieren samen hangen. Hang deze pas op als je weet dat er al kleinere kasten zijn bezet, en altijd op een warme zuid- of zuidoostzijde.
Op welke hoogte hang je de kast op
Vleermuizen vermijden katten, marters en mensen. Hang de kast daarom altijd minimaal 4 meter boven de grond, met als richtlijn:
- Spleetkast voor dwergvleermuis: 4 tot 5 meter hoog aan een gevel of grote boom.
- Holtekast voor laatvlieger: 5 tot 6 meter hoog op een open kop- of zijgevel.
- Boomkast voor rosse vleermuis: 6 tot 8 meter hoog in een oude eik, beuk of populier.
- Kraamkast: 5 tot 7 meter, op een windluwe muur die overdag opwarmt.
Onder de invliegopening moet minimaal 2 meter vrije ruimte zijn — dus geen takken, dakgoten of klimplanten in de aanvliegroute. Vleermuizen laten zich vaak even vallen voor ze beginnen te vliegen.
Hemelrichting en zonexpositie
De temperatuur in de kast bepaalt of vrouwtjes hem accepteren als kraamplek. Te koud betekent geen jongen; te heet betekent uitvliegen op de heetste momenten van de dag.
De ideale orintatie is zuidoost tot zuidwest. Een kast op de zuidgevel krijgt in juli en augustus zelf in Nederland 30 tot 35 graden in de schaduwbinnenwand — precies wat dwergvleermuizen zoeken voor hun jongen. Hang nooit aan de noordzijde: te koud, te vochtig.
Combineer als je twee kasten ophangt een zuidkant- en een oostkantkast op dezelfde gevel. Vleermuizen schuiven dan binnen de dag mee met de zon, wat de overlevingskans van jongen verhoogt.
Materiaal: hout, houtbeton of zelfbouw
Veel commercile kasten zijn gemaakt van houtbeton, een mengsel van houtvezels en cement. Voordeel: zwaar, isoleert goed, gaat 25 tot 40 jaar mee. Nadeel: duurder en lastiger op te hangen aan een dunne gevel.
Houten kasten van onbehandeld douglas, lariks of eiken werken ook prima. Gebruik gn vuren — dat rot binnen vijf jaar. Plaatdikte minimaal 18 mm, zonder verf of beits aan de binnenkant. Aan de buitenkant mag een dunne laag lijnolie of natuurlijke houtbeschermer; nooit chemische impregneermiddelen, want vleermuizen zijn extreem gevoelig voor dampen.
De binnenwand moet ruw zijn (gefreesde groeven van 1 tot 2 mm diep, 5 mm uit elkaar) zodat de dieren grip hebben.
De directe omgeving: water, beplanting en duisternis
Een kast op de juiste plek werkt alleen als het landschap eromheen klopt. Vleermuizen volgen lijnvormige elementen — heggen, bomenrijen, slootkanten — om van verblijf naar jachtgebied te komen.
- Water binnen 500 meter: vijver, sloot of natte greppel verhoogt de kans aanzienlijk. Insectenrijke plekken trekken vleermuizen aan.
- Bloeiende nachtplanten: avondkoekoeksbloem (Silene latifolia), kamperfoelie (Lonicera periclymenum) en teunisbloem (Oenothera biennis) trekken nachtvlinders en motten — vleermuisvoer.
- Donker: vermijd schijnwerpers, fellampen en wit ledlicht binnen 10 meter van de kast. Warm-witte verlichting (1800-2200 K) onder 50 lux verstoort minder.
- Aansluiting op groen: een kast in een geveltuin midden in de stad werkt slechter dan een kast naast een park, plantsoen of waterloop.
Wanneer plaats je de kast en hoe lang duurt acceptatie
Hang de kast tussen oktober en maart op, ruim voor het actieve seizoen begint. Vleermuizen verkennen tussen april en juni nieuwe verblijfsplekken; tegen die tijd moet de kast er al hangen, geuren en stof verzamelen.
Reken op 1 tot 3 jaar voor de eerste bewoning. Sommige kasten worden pas na vijf jaar bezet, andere binnen een seizoen. Geduld is essentieel — schroef niets los om te kijken of er iemand zit. Dat is verboden onder de Wet natuurbescherming en jaagt de dieren onmiddellijk weg.
Tekenen van bewoning: zwarte muizenkeutel-achtige uitwerpselen onder de invliegopening (te onderscheiden van muizenpoep doordat ze tussen je vingers verkruimelen tot insectenresten), of in de schemering een vleermuis die net na zonsondergang uit de kast komt.
Onderhoud en wat je niet mag doen
Een goed gemonteerde kast vraagt nauwelijks onderhoud. Controleer eens per twee jaar in november of december (als de kast leeg is) of het ophangsysteem nog vast zit en het hout niet rot.
Wat je nooit doet:
- De kast openmaken tussen april en oktober.
- Vleermuizen verstoren of verwijderen — dit is wettelijk verboden, ook als het je eigen tuin betreft.
- De kast verplaatsen zodra hij bewoond is. Een eenmaal gekozen verblijf wordt jaren gebruikt.
- Schoonmaken met chemische middelen. Een schroevendraaier en handveeg in de winter (lege kast) is genoeg.
Vind je een gewonde of versufte vleermuis op de grond? Niet met blote handen oppakken — vleermuizen kunnen drager zijn van het lyssavirus. Bel de Zoogdiervereniging of een lokale opvang. Tijdens het broedseizoen tuin werken gelden bovendien strengere regels rond verstoring.
Combinatie met andere wildlife in de tuin
Een vleermuiskast werkt het best als onderdeel van een rijker tuinontwerp. Wat je verder kunt doen:
- Laat een hoek met brandnetels en wilde gras staan — broedplek voor nachtvlinders, vleermuisvoer.
- Plant inheemse struiken zoals meidoorn (Crataegus monogyna), sleedoorn (Prunus spinosa) en vlier (Sambucus nigra).
- Maak een kleine vijver van minimaal 2 m, zonder vissen, met flauwe oevers.
- Vermijd insecticiden volledig. Geen muggen = geen vleermuizen.
- Combineer met een bijenhotel zelf maken en nestkasten voor zangvogels.
De combinatie van schuilgelegenheid, voedsel en water maakt je tuin tot een heel kleinschalig ecosysteem dat zowel insecten, vogels als zoogdieren bedient.
Belangrijk om te weten
Dit artikel is informatief. Voor specifieke vragen over jouw situatie raadpleeg een hovenier, je gemeente of het Ctgb (toegelaten gewasbeschermingsmiddelen). Bij snoei of kap van beschermde bomen geldt de Wet natuurbescherming en mogelijk een gemeentelijke kapvergunning. Tijdens het broedseizoen (maart t/m juli) mag je geen broedende vogels verstoren.
Veelgestelde Vragen
Minimaal 4 meter, met 5 tot 6 meter als ideaal. Onder de invliegopening moet 2 meter vrije ruimte zijn zodat vleermuizen zich kunnen laten vallen voor ze gaan vliegen.
Zuidoost tot zuidwest werkt het best. Een zonbeschenen gevel kan in de zomer warm genoeg worden voor kraamgroepen. Hang nooit op een noordzijde, dat is te koud en te vochtig.
Reken op 1 tot 3 jaar; soms pas na 5 jaar. Hang de kast tussen oktober en maart op, dan kan hij voor het actieve seizoen verweren en geuren verzamelen.
Nee. Vleermuizen zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Een eenmaal gekozen verblijf mag je niet verplaatsen of openmaken zonder ontheffing.
Een spleetkast heeft een binnenruimte van 1,5 tot 2 cm en past bij dwergvleermuizen. Een holtekast heeft 3 tot 4 cm ruimte en is geschikt voor laatvlieger en rosse vleermuis.
Een gewone dwergvleermuis vangt per nacht honderden muggen en kleine motten. Een bewoonde kast verlaagt merkbaar het aantal muggen rond water en terras, mits je geen insecticiden gebruikt.
Ja, met onbehandeld lariks of eiken van minimaal 18 mm en gefreesde groeven aan de binnenwand. Gebruik geen verf, beits of impregneermiddel aan de binnenkant — vleermuizen zijn gevoelig voor dampen.